Op 24 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:8991 is door de rechtbank Rotterdam een uitspraak gedaan over het handhaven van voorbeschermingsregels op grond van de Omgevingswet (voorheen een 'voorbereidingsbesluit').

Voorafgaand aan het Voorbereidingsbesluit was het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’, welke onderdeel is van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Barendrecht, van toepassing. Tussen partijen is niet in geschil dat de activiteiten van verzoekster 1 op grond van artikel 6.1., onder a, van de planregels in combinatie bezien met SBI-code 91 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zijn toegestaan op de locatie. Dit betekent dat indien het Voorbereidingsbesluit niet van toepassing is, er geen sprake is van een overtreding en het college dan niet bevoegd is om handhavend op te treden.
Op grond van artikel 4.14, derde lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet strekken voorbeschermingsregels ertoe te voorkomen dat de locatie minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van het doel van de regels, bedoeld in het eerste lid, en kunnen alleen inhouden een verbod of een verbod om zonder voorafgaande melding of zonder omgevingsvergunning daarbij aangewezen activiteiten te verrichten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan, maar nog niet plaatsvinden.
Voor de beantwoording van de vraag of het Voorbereidingsbesluit van toepassing is, dient te worden bezien of voor de peildatum van 18 april 2025 het pand op de locatie reeds in gebruik was genomen en dat daar religieuze en/of maatschappelijke activiteiten plaatsvonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rust de bewijslast dat het Voorbereidingsbesluit niet toepassing is, op degene die zich daarop beroept, in dit geval dus op verzoekers. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) waaruit volgt dat het aan degene is die zich op het overgangsrecht beroept is om dat aannemelijk te maken (ABRvS 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3045).
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers met de door hen overgelegde bewijsstukken een begin van bewijs geleverd dat zij voor de peildatum van 18 april 2025 het pand op de locatie al in gebruik hadden genomen voor religieuze en maatschappelijke activiteiten.
Verzoekster 2 is eigenaar van het pand op het perceel [adres] in Barendrecht (de locatie). Verzoekster 1 heeft het pand op de locatie in gebruik genomen als islamitisch centrum. Op 2 mei 2025 en 30 mei 2025 heeft een toezichthouder van het college controles uitgevoerd op de locatie. Bij brief van 23 mei 2025 heeft het college verzoekers meegedeeld voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen. Verzoekers hebben op 5 juni 2025 een zienswijze ingediend tegen het voornemen.
Bij de bestreden besluiten is aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd. Het college heeft aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat sprake is van een overtreding van artikel 1.3 en artikel 1.4 van het Voorbereidingsbesluit Bedrijfsactiviteiten Barendrecht (Voorbereidingsbesluit). Verzoekster 1 gebruikt het perceel op de locatie in strijd met de vigerende bestemming ‘Bedrijventerrein’. Verzoekers worden gelast om de overtreding te staken en gestaakt te houden. Verzoekers kunnen dit doen, maar niet zonder meer uitsluitend, door de volgende gebruiksactiviteiten te beëindigen:
-het organiseren van religieuze bijeenkomsten zoals Hadith-avonden of andere lezingen;
-het faciliteren van gebedsmomenten;
-het aanbieden van maatschappelijke of sociaal-culturele activiteiten.
Indien niet binnen de begunstigingstermijn van twee weken na de verzenddatum van de last onder dwangsom aan de last is voldaan verbeuren verzoekers een eenmalige dwangsom van € 20.000,-.
Het college heeft op 4 juli 2025 en op 9 juli 2025 de begunstigingstermijn verlengd tot de uitspraak van de voorzieningenrechter
Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het Voorbereidingsbesluit niet van toepassing is, omdat reeds sprake is van bestaand gebruik. Ruimschoots voor de inwerkingtreding van het Voorbereidingsbesluit vonden er al religieuze en maatschappelijke activiteiten plaats op de locatie, aldus verzoekers.
Het Voorbereidingsbesluit is op 18 april 2025 in werking getreden.
Artikel 1.3 van het Voorbereidingsbesluit luidt: in aanvulling op of in afwijking van de regels in het tijdelijk omgevingsplan Barendrecht die van toepassing zijn voor de bestemmingen “Bedrijventerrein” en “Bedrijf” gelden de volgende voorbeschermingsregels:
a. uitsluitend de activiteiten in de Staat van Bedrijfsactiviteiten die voldoen aan de definitie van ‘bedrijf’ of ‘bedrijventerrein’ zijn toegestaan;
b. uitgesloten van de definitie van ‘bedrijf’ of van ‘bedrijventerrein’ zijn de volgende activiteiten: detailhandel (met uitzondering van ondergeschikte detailhandel), horeca, logies, leisure, maatschappelijke functies en -voorzieningen, zoals gezondheid-, zorg-, en welzijnsinstellingen, onderwijs, religieuze instellingen en buurthuizen.
Op grond van artikel 1.4, eerste lid, van het Voorbereidingsbesluit is het verboden de activiteiten genoemd in artikel 1.3, aanhef en onder b van dit voorbereidingsbesluit te verrichten.
Voorafgaand aan het Voorbereidingsbesluit was het bestemmingsplan ‘Woongebied Oost’, welke onderdeel is van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Barendrecht, van toepassing. Tussen partijen is niet in geschil dat de activiteiten van verzoekster 1 op grond van artikel 6.1., onder a, van de planregels in combinatie bezien met SBI-code 91 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zijn toegestaan op de locatie. Dit betekent dat indien het Voorbereidingsbesluit niet van toepassing is, er geen sprake is van een overtreding en het college dan niet bevoegd is om handhavend op te treden.
Op grond van artikel 4.14, derde lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet strekken voorbeschermingsregels ertoe te voorkomen dat de locatie minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van het doel van de regels, bedoeld in het eerste lid, en kunnen alleen inhouden een verbod of een verbod om zonder voorafgaande melding of zonder omgevingsvergunning daarbij aangewezen activiteiten te verrichten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan, maar nog niet plaatsvinden.
Voor de beantwoording van de vraag of het Voorbereidingsbesluit van toepassing is, dient te worden bezien of voor de peildatum van 18 april 2025 het pand op de locatie reeds in gebruik was genomen en dat daar religieuze en/of maatschappelijke activiteiten plaatsvonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rust de bewijslast dat het Voorbereidingsbesluit niet toepassing is, op degene die zich daarop beroept, in dit geval dus op verzoekers. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) waaruit volgt dat het aan degene is die zich op het overgangsrecht beroept is om dat aannemelijk te maken (ABRvS 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3045).
Verzoekers hebben gesteld dat er voor de peildatum van 18 april 2025 religieuze en maatschappelijke activiteiten plaatsvonden in het pand op de locatie. Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun stelling het volgende overgelegd: een aanmeldlijst voor een gebed (onder andere het ochtend gebed (Fajr) en het nacht gebed (Isha)) en lezingen, uitnodigingen voor het Hadith moment op vrijdag 11 april en 18 april om 20:30 uur, een weekprogramma, getuigenverklaringen en WhatsApp-berichten. Het college heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat sinds 18 april 2025 verzoekster 1 in het pand op de locatie is gevestigd een constateringsrapport overgelegd. Hieruit volgt dat een toezichthouder van het college op 18 april 2025 en op 23 april 2025 op de locatie is geweest. Op 18 april 2025 was niemand aanwezig in het pand op de locatie, hing er nog geen bord van verzoekster 1 op de gevel en hing er nog geen naambordje bij de intercom. Op 23 april 2025 was dit wel het geval. De toezichthouders hebben geconcludeerd dat het aannemelijk is dat verzoekster 1 zich na 18 april 2025 op de locatie heeft gevestigd. Ter zitting is door het college verklaard dat de controles begin van de middag zijn uitgevoerd.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers met de door hen overgelegde bewijsstukken een begin van bewijs geleverd dat zij voor de peildatum van 18 april 2025 het pand op de locatie al in gebruik hadden genomen voor religieuze en maatschappelijke activiteiten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit in de bezwaarprocedure nader dient te worden onderzocht. Ter zitting is door verzoekers nog verklaard dat zij nog meer bewijs kunnen overleggen. De stelling van het college dat er geen foto’s zijn overgelegd en dat de bewijsstukken op zich zelf staan, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Of aannemelijk is dat verzoekers de locatie al in gebruik hebben genomen voorafgaand aan 18 april 2025 vergt nader onderzoek in de bezwaarfase. De voorzieningenrechter zal zich daarom beperken tot een belangenafweging.
Bij het afwegen van de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, neemt de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking. De voorzieningenrechter heeft de belangen die in deze zaak zijn betrokken op de zitting met partijen besproken. De belangen van verzoekers zijn kort samengevat als volgt. De organisatorische en financiële gevolgen van de beëindiging van de activiteiten van verzoekster 1 leidt tot een direct en aannemelijk risico op het voortbestaan van verzoekster 1. Donateurs kunnen zich namelijk door deze kwestie terugtrekken. Bovendien dient volgens verzoekers mee te wegen dat hen geen enkel verwijt valt te maken dat zij haar activiteiten zijn gestart en ingrijpende investeringen hebben gedaan, omdat op grond van het bestemmingsplan de activiteiten waren toegestaan. Tot slot stellen verzoekers dat zij het recht hebben op vrijheid van godsdienst. Een plek om samen te kunnen bidden is daar onderdeel van. Hier tegenover staan de belangen van het college. Naast het algemeen belang dat met handhaving is gediend, is er volgens het college ook een maatschappelijk belang. Er is volgens het college vanuit de omwonenden van de locatie en de inwoners van Barendrecht in het algemeen veel ophef ontstaan over de komst van verzoekster 1 op de locatie. Na een afweging van al deze belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoekers in dit geval zwaarder wegen dan het belang van het college om handhavend op te treden. De voorzieningenrechter neemt hierbij in overweging dat het college niet heeft onderbouwd hoeveel klachten er zijn binnengekomen vanuit de omwonenden en dat het college evenmin heeft toegelicht waar die klachten concreet over gingen anders dan dat de locatie in strijd met het voorbereidingsbesluit werd gebruikt. Uit de constateringsrapporten van 3 mei 2025 en 30 mei 2025 volgt in ieder geval dat niet is gebleken van parkeeroverlast en dat niet is gebleken van meldingen van overlast van omringende bedrijven op het bedrijventerrein.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorziening dat de last onder dwangsom van 24 juni 2025 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.