Op 15 juni 2021 heeft het college van Zwolle aan twee eigenaren omgevingsvergunningen verleend voor de verbouwing van twee panden in Zwolle ten behoeve van het creëren van zelfstandige woonruimtes. Een aantal appellanten verzette zich tegen de omgevingsvergunning met een groot aantal beroepsgronden. Blijkbaar speelt er op de achtergrond nog meer, want de Afdeling overweegt in rechtsoverweging 7 dat een aantal gronden die niet zien op het bestreden besluit niet inhoudelijk worden behandeld. Ook zijn een tweetal gronden voor het eerst in hoger beroep aangevoerd; deze worden met toepassing van de grondentrechter buiten beschouwing gelaten. De grondentrechter geldt immers nog steeds in het omgevingsrecht, tenzij uitgesloten is dat andere belanghebbenden door behandeling van de gronden worden benadeeld – en die uitzondering doet zich hier niet voor, zo overweegt de Afdeling.

Uit de argumenten die de Afdeling wel inhoudelijk behandelt, valt af te leiden dat het hier gaat om een omgevingsvergunning bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voor deze omgevingsvergunning geldt dat de aanvraag moet worden getoetst aan het bestemmingsplan, maar als deze daarmee niet in strijd is – en overigens ook niet met het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening of de redelijke eisen van welstand – moet de omgevingsvergunning worden verleend zonder verdere ruimtelijke toets. Dat was blijkbaar tegen het zere been van de appellanten; zij betoogden dat de in het bestemmingsplan opgenomen maximale goot- en bouwhoogte (respectievelijk 8 en 14 meter) niet kon worden toegepast, omdat deze zonder enig overleg met omwonenden in 1999 in het bestemmingsplan was opgenomen en vervolgens ‘abusievelijk’ in het opvolgende bestemmingsplan werd overgenomen.
De Afdeling wil er niet aan. Zij overweegt – terecht – dat bestemmingsplanvoorschriften in een procedure over een omgevingsvergunning niet aan dezelfde toetsingsmaatstaf zijn onderworpen als in een procedure over dat bestemmingsplan. Planregels kunnen in een procedure als deze alleen onverbindend worden verklaard als zij evident in strijd zijn met hoger recht. Van zo’n evidente strijd kan volgens de Afdeling alleen sprake zijn als het hogere recht zo concreet is, dat deze zich voor exceptieve toetsing leent. Het betoog van appellanten dwingt niet tot de conclusie dat de goot- en bouwhoogtes zonder meer in strijd zijn met de goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1 Wet op de ruimtelijke ordening), zodat van evidente strijd met hogere regelgeving geen sprake is.
Het voorgaande lijkt met zich mee te brengen dat planregels nooit via exceptieve toetsing aan de goede ruimtelijke ordening kunnen worden getoetst, nu dat inherent een open norm is die niet snel ‘zo concreet is dat [de bestemmingsregeling] zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent’. Dat lijkt ons ook niet bezwaarlijk: van een bestemmingsplan dient een zekere rechtszekerheid uit te gaan.