Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Is er bij een tuinkamer sprake van een bijbehorend bouwwerk? + bestaat dit begrip ook onder de Omgevingswet?

Op die vraag gaf de ABRvS antwoord in een uitspraak van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3593. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de tuinkamer niet zonder omgevingsvergunning mocht bouwen. Hij stelt dat hij dat wel mocht op grond van de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Volgens hem is de tuinkamer namelijk een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied, dat voldoet aan de eisen in zowel het derde onderdeel van artikel 2 als in het eerste onderdeel van artikel 3.

30 July 2025

In artikel 1 wordt een 'bijbehorend bouwwerk' gedefinieerd als een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd, gebouw of ander bouwwerk, met een dak. Met de eis van functionele verbondenheid wordt bedoeld dat het gebruik van het bijbehorende bouwwerk in planologisch opzicht gerelateerd moet zijn aan het gebruik van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw wordt gedefinieerd als het gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. Op het perceel stonden al twee gebouwen, te weten het bedrijfsgebouw en de bedrijfswoning. Gelet op de agrarische bestemming moet het bedrijfsgebouw worden aangemerkt als het hoofdgebouw. In de aanvraag om de omgevingsvergunning heeft [appellant] ingevuld dat hij de tuinkamer gaat gebruiken om uit de wind lekker buiten te zitten. Dat gebruik is in planologisch opzicht gerelateerd aan de bedrijfswoning en niet aan het bedrijfsgebouw. Aangezien het gebruik van de tuinkamer niet in planologisch opzicht gerelateerd is aan het hoofdgebouw, is het geen bijbehorend bouwwerk in de zin van het Bor.

Bij besluit van 28 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een tuinkamer aan de [locatie] in Gendt.

[appellant] exploiteert aan de [locatie] een fruitteeltbedrijf. Op het perceel is een bedrijfsgebouw aanwezig en een bedrijfswoning waarin [appellant] woont. Hij wil achter zijn woning een tuinkamer bouwen en heeft daarvoor op 3 maart 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd.

Het college heeft op 22 maart 2021 aan [appellant] mondeling een bouwstop opgelegd, omdat hij al was gestart met de bouwwerkzaamheden voor de tuinkamer zonder dat hij over een omgevingsvergunning daarvoor beschikte. Bij het besluit van 29 april 2021 heeft het college de bouwstop op schrift gesteld en [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast per direct de verdere overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) te staken en gestaakt te houden.

Bij het besluit van 28 april 2021 heeft het college geweigerd de omgevingsvergunning voor de tuinkamer te verlenen, omdat de tuinkamer deels buiten het bouwvlak komt te liggen en daardoor in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied Lingewaard". Het college wil geen medewerking verlenen aan het afwijken van het bestemmingsplan, omdat er volgens het college binnen het bouwvlak voldoende geschikte plekken zijn voor de tuinkamer en er daarom geen ruimtelijke noodzaak is om de tuinkamer deels buiten het bouwvlak te bouwen.

[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de tuinkamer niet zonder omgevingsvergunning mocht bouwen. Hij stelt dat hij dat wel mocht op grond van de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Volgens hem is de tuinkamer namelijk een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied, dat voldoet aan de eisen in zowel het derde onderdeel van artikel 2 als in het eerste onderdeel van artikel 3. Daarbij voert hij aan dat de rechtbank bij haar toets aan de maximale oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, zoals bepaald in artikel 2, onderdeel 3, onder f, er ten onrechte van is uitgegaan dat het bedrijfsgebouw een bijbehorend bouwwerk is en dat de oppervlakte daarvan meetelt voor die maximale oppervlakte. Volgens hem is het bedrijfsgebouw geen bijbehorend bouwwerk omdat het niet functioneel bij de woning behoort.

In artikel 2 van bijlage II van het Bor zijn de categorieën gevallen vermeld waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor zowel het bouwen van een bouwwerk als het afwijken van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wabo. Op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor zou de tuinkamer zonder vergunning mogen worden gebouwd als het gaat om een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied en als wordt voldaan aan de daarvoor vermelde eisen.

In artikel 1 wordt een bijbehorend bouwwerk gedefinieerd als een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd, gebouw of ander bouwwerk, met een dak.

In de nota van toelichting bij dit artikel (Stb. 2010, 143, blz. 133) staat dat met de eis van functionele verbondenheid wordt bedoeld dat het gebruik van het bijbehorende bouwwerk in planologisch opzicht gerelateerd moet zijn aan het gebruik van het hoofdgebouw.

In dit artikel wordt het hoofdgebouw gedefinieerd als het gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Op het perceel stonden al twee gebouwen, te weten het bedrijfsgebouw en de bedrijfswoning. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Lingewaard" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Dijkzone". Gelet op deze agrarische bestemming en de hiervoor weergegeven definitie, moet het bedrijfsgebouw worden aangemerkt als het hoofdgebouw. Dat er in het verleden in plaats van het bedrijfsgebouw verschillende kleine schuurtjes op het perceel stonden, maakt geen verschil voor de conclusie dat dat bedrijfsgebouw nu het hoofdgebouw is.

In de aanvraag om de omgevingsvergunning heeft [appellant] ingevuld dat hij de tuinkamer gaat gebruiken om uit de wind lekker buiten te zitten. Dat gebruik is in planologisch opzicht gerelateerd aan de bedrijfswoning en niet aan het bedrijfsgebouw. Aangezien het gebruik van de tuinkamer niet in planologisch opzicht gerelateerd is aan het hoofdgebouw, is het geen bijbehorend bouwwerk in de zin van het Bor. Alleen al daarom kan de tuinkamer niet zonder omgevingsvergunning worden gebouwd op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de tuinkamer geen bijbehorend bouwwerk is en is daarom ten onrechte overgegaan tot een toetsing aan de voor een bijbehorend bouwwerk geldende eisen. De rechtbank is vervolgens echter wel tot de juiste conclusie gekomen dat de tuinkamer niet vergunningvrij is.

Noot Y. Schönfeld: Bestaat het begrip 'bijbehorend bouwwerk' nog onder de Omgevingswet?

In de bruidsschat (tijdelijke deel omgevingsplan) is in artikel 22.27 (uitzondering op de vergunningplicht van artikel 22.26 bruidsschat, de zogenoemde 'OPA Bouw', YS) en in de artikelen 22.36 en 22.37 van de bruidsschat ook de term ‘bijbehorend bouwwerk’ opgenomen. Ook in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) komt in artikel 2.29 en 2.17 Bbl het begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ voor. In de bijlage bij artikel 1.1 Bbl is ‘bijbehorend bouwwerk’ gedefinieerd als:

“uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak”.

Dit is dezelfde definitie als in artikel 1, lid 1 van bijlage II Bor: “uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak”.

Uit de memorie van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet (Staatsblad 2020, nr. 400, p. 1532) volgt dat het inderdaad de bedoeling van de wetgever is dat het begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ ongewijzigd blijft ten opzichte van wat was bedoeld onder bijlage II Bor. In de memorie van toelichting staat:

De begrippen «achtererfgebied», «antennedrager», «antenneinstallatie», «bijbehorend bouwwerk», «daknok», «dakvoet», «gebouwerf», «hoofdgebouw», «huisvesting in verband met mantelzorg», «mantelzorg», «openbaar toegankelijk gebied» en «voorerfgebied» houden alle verband met afdeling 2.3 afbakening vergunningplichten.

Deze begrippen zijn overgenomen uit bijlage II bij het Besluit Omgevingsrecht en worden niet inhoudelijk gewijzigd. Beoogd is dan ook dat deze begrippen in de rechtspraktijk ongewijzigd kunnen blijven worden toegepast.

Artikel delen