Bij besluit van 25 januari 2022 heeft het college het besluit van 19 mei 2020 herroepen (lees: ingetrokken) en [partij] gelast (a) de oppervlakte aan zonder omgevingsvergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken op het perceel terug te brengen tot maximaal 150 m² en (b) het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bestaande uit het houden van ongeveer 100 papegaai- en parkietachtigen, te staken en gestaakt te houden en het aantal vogels terug te brengen tot 25 stuks, welk aantal vogels als hobbymatig kan worden aangemerkt.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank in de einduitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in het besluit van 25 januari 2022 nog steeds niet adequaat heeft onderbouwd hoeveel papegaai- en parkietachtigen [partij] mag houden, zonder dat sprake is van strijd met de aan diens perceel gegeven woonbestemming. Volgens [appellant sub 1] volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat de vraag of het houden van dieren in strijd is met een woonbestemming moet worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik, gezien zijn aard, omvang en intensiteit, heeft. Het houden van meer dan 25 papegaai- en parkietachtigen is volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet in overeenstemming met de woonbestemming, omdat het perceel in een reguliere woonwijk ligt, de vogels buiten direct tegen de erfgrens worden gehouden, papegaai- en parkietachtigen bekend staan als tamelijk luidruchtige vogelsoorten en het houden van vogels in het verleden een duidelijke continuïteit heeft gekend.
De rechtbank heeft in de einduitspraak terecht geoordeeld dat het college in het besluit van 25 januari 2022 nog steeds niet adequaat heeft onderbouwd hoeveel papegaai- en parkietachtigen [partij] mag houden, zonder dat sprake is van strijd met de aan diens perceel gegeven woonbestemming. Het aantal papegaai- en parkietachtigen dat als hobbymatig kan worden beschouwd, is in het besluit van 25 januari 2022 wederom alleen gebaseerd op het genoemde aantal van 25 vogels in artikel 3.168, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, terwijl er een op de situatie zelf toegesneden beoordeling had moeten plaatsvinden. Het college had de vraag of het gebruik van de gronden voor het houden van papegaai- en parkietachtigen in strijd is met de woonbestemming moeten beantwoorden aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat specifieke gebruik, gezien zijn aard, omvang en intensiteit, heeft.