Deze zaak gaat om een ijssalon in Den Haag, waar appellant, die in hetzelfde pand als de ijssalon woont, overlast van ervoer. Hij heeft het college gevraagd maatwerkvoorschriften vast te stellen op grond van het Activiteitenbesluit. Het college heeft besloten dit verzoek te weigeren, en daarover gaat deze gang naar de Afdeling.

De rechtbank heeft in beroep het besluit van het college, tot het niet vaststellen van maatwerkvoorschriften, vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten, daar het college tijdens de zitting het niet vaststellen afdoende heeft gemotiveerd.
Appellant is het niet eens met aanduiding in het bestemmingsplan dat de wijk een ‘woonwijk in de stad’ is. Hij stelt dat het in plaats daarvan een ‘een rustige woonwijk met weinig verkeer’ is en dat daarom andere geluidsnormen zouden moeten gelden. Op grond van het activiteitenbesluit heeft het college de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften vast te stellen, maar de Afdeling oordeelt dat het bestemmingsplan geen onderdeel is van de onderhavige beroepsprocedure en het niet vaststellen van normen binnen de beleidsruimte van het college valt.
Appellant komt ook op tegen het terras van de ijssalon. Dit is aan 3 zijden omsloten en is volgens hem dus een binnenterrein. Hij verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling. Bij het bepalen van geluidsniveaus moet stemgeluid van binnenterreinen namelijk meegenomen worden, en van een terras niet. De Afdeling oordeelt dat het terras geen omsloten ruimte is, aangezien het aan de noordzijde open is en grenst aan de openbare weg.
Ook de beroepsgrond gericht op het oordeel van de rechtbank treft geen doel; het is onaannemelijk dat de ijssalon een grote mate van trillinghinder veroorzaakt, en er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat dit anders is. De rechtbank heeft dus terecht de rechtsgevolgen van het collegebesluit in stand gelaten.