Op grond van de Invoeringswet Omgevingswet Art. 4.13 Invoeringswet Omgevingswet. Zie paragraaf 5.1.1 Ow (Verbodsbepalingen). Art. 5.1, lid 2, onder a, Ow. Art. 5.1 lid 1, onder a, Ow in samenhang met art. 22.26 van de bruidsschat.
Let op: als voor een bouwontwikkeling onder oud recht alleen een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en nog geen vergunning is verleend (of aangevraagd) In dat geval blijft op de aanvraag op grond van art. 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing en vindt de gelijkstelling op grond van art. 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet plaats bij het onherroepelijk worden van de vergunning.
De omgevingsvergunning voor het feitelijk verrichten van de bouwactiviteit is in dat geval immers niet verleend. Onder de werking van de Omgevingswet moet die omgevingsvergunning dus alsnog worden aangevraagd. Zie Consultatieversie Verzamel-AMvB Omgevingswet 2022, p. 33. Op het moment van afsluiting van deze publicatie was de Verzamel-AMvB nog niet vastgesteld.
Voor activiteiten die al een vergunning of ontheffing hadden, geldt:
als de activiteit na inwerkingtreding van de Omgevingswet vergunningplichtig is, ontstaat ervan rechtswege een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet. De vergunningvoorschriften blijven gelden;
als de activiteit na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer vergunningplichtig is, worden de vergunningvoorschriften maatwerkvoorschriften.
Let op: dit laatste gebeurt niet als het bevoegd gezag geen maatwerkvoorschriften over het onderwerp mag stellen. Gezien de zeer ruime maatwerkmogelijkheden onder de Omgevingswet is dit bijna nooit het geval.